Beste reistijd
Het droge seizoen van half december tot half april geldt als de beste reistijd: veel zon, nauwelijks regen, ideaal voor stadsbezoeken en stranddagen.



Panama schuift 82 kilometer waterweg tussen twee oceanen. In Panama-Stad torenen wolkenkrabbers op tegen de Stille Oceaan, in Casco Viejo staan koloniale gebouwen naast rooftopbars. De San Blas-eilanden van de Guna bestaan uit warm zand en een paar palmen, geen stroom, geen internet, maar wel water zo helder dat je de bodem ziet. In het hoogland van Boquete geurt het naar geroosterde koffie, aan de Pacifische kust rijd je de golven. Daartussen vochtig regenwoud waar brulapen roepen en luiaards roerloos in de boomkruinen hangen. Panama is klein genoeg voor twee weken en groot genoeg om terug te komen.
Het droge seizoen van half december tot half april geldt als de beste reistijd: veel zon, nauwelijks regen, ideaal voor stadsbezoeken en stranddagen.

Officieel heet de munteenheid balboa, maar in de praktijk wordt er vrijwel uitsluitend betaald met de Amerikaanse dollar.

Een vlucht vanuit Nederland naar Panama duurt met tussenstop ongeveer 14 tot 17 uur.

De officiële taal is Spaans. In Panama-Stad en de toeristische regio's kom je met Engels goed uit de voeten.

Panama zit vol hoogtepunten, maar deze bezienswaardigheden horen absoluut op je bucketlist.

Panama-Stad perst glazen skyline en koloniale geschiedenis naast elkaar. In de bankenwijk torenen wolkenkrabbers op tegen de Stille Oceaan, op slechts enkele minuten afstand staan in Casco Viejo gerestaureerde koloniale gebouwen onder UNESCO-bescherming sinds 1997. In de Calle 3 waait je de geur van gebakken bakbananen uit kleine fondas tegemoet, aan de Amador Causeway drijft Frank Gehrys kleurrijke Biomuseo tussen kanaal en zee. De meer dan 500 jaar oude ruïnes van Panamá Viejo rijzen op uit het groen, de kerktoren laat zich beklimmen. En als je per boot van Isla Taboga terugkomt, ratelen de kleurrijk beschilderde Diablos Rojos alweer aan je voorbij.

82 kilometer waterweg, 26 meter hoogteverschil, ongeveer 14.000 schepen per jaar: bij het Panamakanaal voel je de trillingen van de sluisdeuren wanneer vrachtschepen zich centimeter voor centimeter doorheen schuiven. Het Gatúnmeer strekt zich uit over een derde van het traject, omzoomd door dicht regenwoud waaruit brulapen roepen. Aan de Caribische kust bij Colón trotseert Portobelo het verval – hier lag ooit goud opgeslagen voor de verscheping naar Europa. Met mos begroeide kanonnen staan nog aan het water. Per boot bereik je Isla Grande, waar reggae klinkt uit de strandbarren en kokospalmen tot aan het turquoise water reiken.

365 eilanden, voor elke dag van het jaar één: de San Blas-eilanden in Guna Yala bestaan uit poederig witte zandbanken met vaak slechts een paar palmen erop. Geen stroom, geen internet, maar wel water zo helder dat je de bodem op drie meter diepte ziet. Bocas del Toro zet het contrast: op Isla Colón breken de golven bij Bluff Beach, op Starfish Beach rusten zeesterren roerloos in kniediep water. Isla Bastimentos ruikt naar vochtige aarde en zout, paden voeren door jungle naar wilde stranden. Terug op het vasteland brengt een boot je stroomopwaarts naar de dorpen van de Emberá, waar bewoners vanaf de oever zwaaien en het regenwoud tot aan het water reikt.

Santa Catalina wacht met het ruisen van golven. Je peddelt naar buiten, bij surfspot Big Creek breekt de golf direct over de rots. 's Middags zit je in de boot richting nationaalpark Coiba, UNESCO-werelderfgoed. Tijdens het duiken glijden walvishaaien en roggen aan je voorbij. De kust naar het zuiden behoort aan de surfers: het hoefijzervormige Playa Venao bij Pedasí trekt surfers van over de hele wereld, het Playa Las Lajas strekt zich zo ver uit dat het zand in de nevel verdwijnt. Bij Punta Chame drijft de wind kitesurfers over spiegelglad water. Per boot bereik je de Pareleilanden met Contadora of steek je over naar Boca Chica aan de Golf van Chiriquí. Panama's Stille Oceaan kent geen laagseizoen.

Boquete ruikt naar vers gebrande koffie. De bergstad in de provincie Chiriquí is de toegangspoort tot dicht regenwoud, waar kolibries tussen orchideeën zwermen en je met geluk een quetzal door het bladerdak ziet flitsen. Breek je vroeg genoeg op, dan sta je bij zonsopgang op de Volcán Barú, met 3.474 meter Panama's hoogste top, de Stille Oceaan en de Caribische Zee tegelijk in het zicht. In de jungle rond de vulkaan roepen brulapen en luiaards hangen roerloos in de boomkruinen. El Valle de Antón loopt op zondag vol met marktkramen en de damp van warme bronnen. Een vulkaankrater waarin een heel dorp leeft.